Maakt de groepsverzekering deel uit van de huwgemeenschap?

Het Grondwettelijk Hof heeft onlangs een belangrijk arrest geveld over groepsverzekeringen - en bij uitbreiding over de hele tweede pensioenpijler (IPT-verzekeringen, VAPZ, onderhandse pensioenovereenkomsten, …). Volgens het Hof behoort de groepsverzekering tot de huwgemeenschap, voor wie getrouwd is met gemeenschap van goederen. Na een echtscheiding moet er dan ook een ‘verrekening’ plaatsvinden. De ex van de aangeslotene heeft dus recht op de helft van de pensioenaanspraken of toch op een ‘compensatie’. Heeft dit arrest ook gevolgen voor de successie als het huwelijk wordt ontbonden door een overlijden?

Een oud zeer …

De discussie bestond al bij de zogenoemde ‘beleggingsverzekeringen’ (tak 21 en 23). Stel dat meneer Janssens gemeenschappelijk geld in een levensverzekering op zijn naam stort en de polis loopt levenslang. Door een echtscheiding of een overlijden van mevrouw Janssens wordt het huwelijk ontbonden. Dan wordt de polis niet uitgekeerd, want de verzekerde, meneer Janssens, is nog in leven.

Maakt de afkoopwaarde nu deel uit van de huwgemeenschap? Volgens de belastingadministratie wel. Meneer Janssens moet, als het huwelijk wordt ontbonden na het overlijden van mevrouw Janssens, successierechten betalen op de helft van de afkoopwaarde. Nochtans had de rulingcommissie in 2009 een andere interpretatie.

... krijgt een vervolg

De hele discussie rond het gemeenschappelijke of eigen karakter werd opnieuw gevoerd. Deze keer ging het over een groepsverzekering, die nog ‘lopende’ was op het ogenblik van een echtscheiding. Volgens het arrest van het Grondwettelijk Hof vormt de groepsverzekering in eerste instantie geen recht op een ‘eigen’ aanvullend uitgesteld pensioen. Ze wordt eerder als een ‘spaarverrichting’ beschouwd. De uitkeringen uit zo’n groepsverzekering zijn ‘gemeenschappelijke’ inkomsten uit een beroepsbezigheid. Het Hof ontkent dus volledig de pensioendimensie van een groepsverzekering. Een groepsverzekering wordt sociaal-fiscaalrechtelijk als een (aanvullend) ‘pensioen’ aangemerkt. Maar dat is blijkbaar huwelijksvermogensrechtelijk niet zo. Wellicht kan deze visie van het Hof uitgebreid worden naar andere pensioenvoorzieningen van de tweede pijler (IPT, VAPZ, …).

De groepsverzekering, die hoort tot de huwgemeenschap, moet dus ‘gecompenseerd’ worden bij een echtscheiding. Dan kunnen we toch enkele praktische en fiscale vragen stellen: Wat als de groepsverzekering deels vὀὀr het huwelijk werd gefinancierd? Hoe wordt dat gecompenseerd en welke eindbelasting mag in rekening worden gebracht? Wat als u al een voorschot uit de groepsverzekering nam voor een vastgoedinvestering? Kan de polis worden opgesplitst tussen de ex-partners en bestaat hiervoor een wettelijk kader? Moet de verzekeringsmaatschappij en/of werkgever medewerking verlenen aan de ex-partner voor de vrij complexe berekeningen?

En na een overlijden?

Het Hof stelt dat de afkoopwaarde bij echtscheiding tot de huwgemeenschap behoort. Kunnen we deze visie doortrekken, als het huwelijk wordt ontbonden door een overlijden? Want bij een overlijden komt ook nog eens de successieproblematiek om de hoek kijken.

Als de titularis van het aanvullend pensioenplan zelf overlijdt, geeft dit weinig problemen, wat de successierechten betreft. De begunstigden van het overlijdenskapitaal, meestal de echtgenoot of kinderen, moeten op het nettobedrag successierechten betalen. Er zijn twee uitzonderingen:

  • Valt er overlijdenskapitaal toe aan de echtgenoot met wie de overledene getrouwd was met gemeenschap van goederen? Dan betaalt de langstlevende in principe slechts successierechten op de helft.
  • Gaat het om een collectieve pensioenregeling en was de overledene een werknemer (lees: groepsverzekering personeel)? Dan betalen de langstlevende partner (ongeacht het huwelijksstelsel) of kinderen jonger dan 21 jaar zelfs geen successierechten.

Maar wat als niet de titularis van het pensioenplan overlijdt, maar de echtgenoot overlijdt en zij getrouwd waren met gemeenschap van goederen? Als we vertrekken vanuit de visie van het Grondwettelijk Hof, dan zou de aangeslotene bij het overlijden van zijn echtgenoot successierechten betalen op de helft van de waarde van zijn eigen groepsverzekering. Bovendien komt de groepsverzekering, door het overlijden van de echtgenoot, niet tot uitkering en loopt die gewoon voort tot de pensionering. Merk trouwens op dat meeste pensioenaanspraken wettelijk of contractueel onafkoopbaar zijn vὀὀr 60 jaar.

Ten slotte is het onduidelijk of er (para)fiscale eindbelasting in mindering gebracht mag worden van de belastbare grondslag betreffende successierechten. En in welke mate mag er rekening gehouden worden met een (virtuele) afkoopvergoeding, aangerekend door de verzekeraar?

Dit huwelijksvermogensrechtelijk arrest kan dus ingrijpende fiscale gevolgen hebben, vooral in de sfeer van de successierechten. Maar zal het in de praktijk ook allemaal zo’n vaart lopen? Dat is maar de vraag. Laat dit arrest van het Hof een uitnodiging zijn voor de wetgever om een duidelijk en evenwichtig wettelijk kader te scheppen rond het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van levensverzekeringen en tweedepensioenpijlervehikels. In afwachting daarvan kunt u deze potentiële geschillenhaarden contractueel opvangen. Maak vooraf de nodige afspraken via of buitenom het huwelijkscontract.

 

Tekst Xavier Piqueur, Tax Advisor

AddThis