Positieve ruling over de wederzijdse schenking tussen echtgenoten met beding van terugkeer

Slechts één keer schenkingsrecht in geval van registratie

De Rulingcommissie bevestigde in de voorgaande beslissing nr. 2010.256 van 14 december 2010 (gepubliceerd op 25/7/2011) nogmaals dat bij een wederzijdse schenking van tegenwoordige goederen tussen echtgenoten (in casu via een bankgift) het schenkingsrecht slechts eenmaal wordt geheven, nl. enkel op de schenking die aanleiding geeft tot het hoogste schenkingsrecht. Het betrof schenkingen die onderling afhankelijk van elkaar waren. Dit is voor ons minder belangrijk omdat wij deze werkwijze niet volgen. O.i. is het voorzichtiger om de schenkingen niet onderling afhankelijk te maken (zie verder). Onze klanten kiezen er doorgaans ook voor om de schenkingen niet te laten registreren (= geen schenkingsrechten).

Verder werd herhaald dat een dergelijke schenking ook kan gebeuren tussen rekeningen bij dezelfde bank, zonder het karakter van (onrechtstreekse) schenking te verliezen.

Conventioneel beding van terugkeer doet geen afbreuk aan karakter van wederzijdse schenkingen

Nieuw is dat de rulingcommissie nu ook uitdrukkelijk werd gevraagd naar de gevolgen van een „conventioneel beding van terugkeer‟ dat aan de wederzijdse schenkingen is verbonden. Daardoor zal het voorwerp van de wederzijdse schenkingen uiteindelijk automatisch tot het vermogen van de langstlevende echtgenoot blijven behoren. Als beide schenkingen onderling afhankelijk zijn en indien de ene schenking wordt teniet gedaan door een ontbindende voorwaarde, vervalt dan ook de andere schenking? De Commissie antwoordde dat dit niet het geval is.

Conventioneel beding van terugkeer overbodig?

Een schenking tussen echtgenoten kan steeds eenzijdig retroactief worden herroepen (artikel 1096 Burgerlijk Wetboek). Dit kan zelfs na het overlijden. Dit wordt ook aanvaard door de fiscus. In principe heeft men dus geen beding van terugkeer nodig. Door een beding van terugkeer kan men de terugkeer wel beter moduleren.

Men kan in de clausule zaakvervanging voorzien zodat in geval van vervreemding de terugkeer dan van toepassing is op de goederen die in de plaats zijn gekomen. Er dient wel opgemerkt dat een bepaalde minderheidsstrekking in de rechtsleer dergelijke zaakvervanging niet aanvaardt. Wij volgen die visie niet.

Het beding van terugkeer kan men ook optioneel maken. In de recente praktijk wordt dit steeds vaker toegepast. Juridisch is daar geen discussie over. Sommigen stellen wel, o.i. ten onrechte, dat de fiscus toch zou kunnen belasten als men zich beroept op dergelijke optioneel beding van terugkeer doordat de optie wordt uitgeoefend na het overlijden.

Indien, tegen onze verwachtingen in, in de toekomst zou blijken dat het uitoefenen van een optioneel beding van terugkeer (fiscaal) toch niet interessant is behoudt men steeds de mogelijkheid om het beding links te laten liggen en zich te beroepen op de herroepbaarheid van de schenking tussen echtgenoten.

Herkwalificatie in ruil mogelijk?

Gezaghebbende rechtsleer leidt uit de voorafgaande beslissingen i.v.m. de wederzijdse schenkingen af dat de administratie geen graten ziet in de techniek van de wederzijdse schenking onder ontbindende voorwaarde van overlijden tussen echtgenoten (cfr. o.a. E. SPRUYT, “Reeks Vermogensplanning. De schenking: het paradepaard van de successieplanning”, AFT 2008, afl. 08-03, nr. 208). Spruyt wijst er evenwel op dat de rechtbanken zich er tot op heden nog niet over hebben uitgesproken.

Bij sommige notarissen is er wel enige terughoudendheid bij deze techniek van wederzijdse schenkingen tussen echtgenoten, en meer specifiek bij de situatie waarbij echtgenoten gemeenschappelijke goederen uitbrengen naar de eigen vermogens en naderhand elk de helft van het verdeelde roerend vermogen aan elkaar schenken. Het Consultatiecentrum (de juridische studiedienst van het notariaat) stelde in 2007 ook dat ze vrezen dat een herkwalificatie in ruil mogelijk is. De rechtsleer (o.a. Alain Van Geel en professor Dr. Charlotte Declerck van het kantoor Tiberghien) is het niet eens met die visie van het consultatiecentrum. In de rechtsleer wordt (op een grondig onderbouwde wijze) gesteld dat er juridisch een duidelijk verschil is tussen een ruil en een wederzijdse schenking.

Gezien de Rulingcommissie reeds in vier rulings de geldigheid van wederzijdse schenkingen heeft aanvaard is de kans overigens eerder klein dat de fiscus de nietigheid zal vorderen.

Na het overlijden is er juridisch trouwens sprake van een „relatieve nietigheid‟. Men neemt aan dat de fiscus die niet alleen kan inroepen zonder tussenkomst van één van de erfgenamen van de schenker. Wat indien één van de (kinderen) erfgenamen de fiscus ter hulp zou zijn en de nietigheid zou worden ingeroepen? Om de eerder kleine slaagkansen van dergelijke vordering nog verder te counteren wordt in de recente rechtsleer aangeraden om het voorwerp van de schenking te differentiëren en tijd te laten tussen beide schenkingen. In het Competence Center werd reeds jaren terug, wanneer we de techniek zijn beginnen toepassen, aangeraden om minstens 6 maanden te laten tussen beide schenkingen en om bij voorkeur het voorwerp van de schenkingen ongelijk te maken.

 

Sven Hubrecht
Competence Center

 

AddThis